naar Startpagina

 

 

Het ontstaan van het Korps Mobiele Colonnes


In 1952 wordt de wet op de Bescherming Bevolking afgekondigd.
“Onder Bescherming Bevolking verstaat de wet het geheel van niet-militaire maatregelen tot bescherming van de bevolking en haar bezittingen zomede van de bezittingen van de openbare lichamen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld.”

Het gaat hier dus om een zuiver civiele organisatie. De basis is het optreden vanuit de eigen stad of dorp met een uitgesproken verantwoordelijkheid voor het plaatselijke bestuur (BB kring, Wijkploeg, Blokploeg).
Er wordt overgegaan tot de vorming van kringen als overkoepelende organisatie die meerdere steden en dorpen in zich verenigd.
Daar een kring van huisuit, in de meeste gevallen, niet beschikt over voldoende personeel en materiaal om de gevolgen van een ramp voldoende te bestrijden worden regels van kracht betreffende de onderlinge bijstand.
Om niet het gevaar te lopen dat, bij onderlinge bijstand, een ramp in de eigen kring, door het uitlenen van het potentieel, niet kan worden bestreden, wordt gezocht naar een aanvullende landelijke organisatie.
De eenheden van deze organisatie dienen snel verplaatsbaar moeten zijn om op zwaartepunten ingezet te worden.
In 1954 wordt besloten om de RIJKS MOBIELE COLONNES op te richten.
De bedoeling is om deze colonnes te bemannen met vrijwilligers. De vrijwilligheid onder de burgerbevolking is echter zo gering dat deze colonnes nimmer van de grond zijn gekomen. De vrijwilliger is wel bereid in zijn eigen omgeving actief te zijn, maar niet ver van huis. Toch moeten de colonnes bemand worden. Hiervoor wordt een unieke oplossing bedacht.
Op 1 augustus 1955 wordt besloten om de Rijks Mobiele Colonnes met militairen te bemannen..
Enige in het oog springende zaken zijn :
· De minister van Binnenlandse zaken stelt zowel het voor de uitrusting als voor de oefening van de M.C.’s benodigde materieel ter beschikking
· Het militair personeel wordt geleverd uit alle krijgsmachtdelen. ( Marine, Land- en Luchtmacht)
· De Algemeen Inspecteur ressorteert onder de Minister van Oorlog. ( Het 4e krijgsmachtdeel is met deze bepaling geboren)
· De financiering van de M.C.’s geschiedt door de Minister van Binnenlandse zaken.

Het eerste tijdelijke M.C. depot wordt geopend in het kamp Golflinks te Arnhem.
Per 1 maart 1956 wordt het Depot van K.M.C. ondergebracht in de legerplaats Laren ( nu Crailo).

Rijks Mobiele Colonnes ( De vierde macht)

Periode 1955 - 1963

De Mobiele Colonnes worden bemand met reserve- en militiepersoneel van land-, zee- en luchtmacht, dat de eerste oefening achter de rug heeft en geen mobilisatiebestemming heeft.
Per jaar worden +/- 4000-4500 dienstplichtigen beschikbaar gesteld, waardoor met de opleiding van alle Mobiele Colonnes ( totale sterkte +/- 17.000 man) ruim 4 jaar is gemoeid.

Commandovoering

De M.C's. staan onder commando van een generaal-majoor, de Algemeen Inspecteur tevens Commandant van de Mobiele Colonnes, die wordt bijgestaan door een staf.
De tot de Staf behorende officieren bestaan voor het merendeel uit beroepskrachten.

Bewapening

Het personeel van de Mobiele Colonnes wordt bewapend, opdat het in staat is zich te kunnen verdedigen tegenover een eventueel optreden van bijv. vijandelijke parachutisten, waardoor te hulp snellende colonnes niet het risico lopen door een enkele parachutist in haar bijstandsverlenende taak wordt belemmerd.
Alle officieren zijn bewapend met een pistool, de helft van de onderofficieren met een stengun evenals één op elke 6 man.

Uniformering

Het tot de M.C.’s behorende personeel draagt het militaire landmacht uniform met een speciaal voor de M.C.’s vastgesteld distinctief:
· Op de rechtermouw een blauwomrand zwart schild waarop de letters M.C. (geel) gevat in groene lauwerkrans.


· De landmachtbaret wordt vervangen door de luchtmachtbivakmuts in de kleur van de landmacht battledress.
· Op de muts de letters M.C. ( bijnaam voor muts “schuitje”)
· Schouderband wordt gedragen in de kleur van de dienst.
o Rood = Brandweercolonne
o Geel = Opruimings- en Reddingscolonne
o Groen = Geneeskundige Colonne


Opbouw

M.C. Brandweer ( 676 man )

Een rijdende BWR-colonne bestaat uit een staf, een staf- tevens verzorgingsdetachement en 4 bluscompagnieen.
De 4 bluscompagnieen hebben elk 3 pelotons á 4 Diesel-spuiten
Colonne = 48 spuiten t.w. 24 autospuiten en 24 motoraanhangerspuiten
Slangcapaciteit = +/- 36 Km.
Spuitcapaciteit = 2400-2800 L/min. Bij een manometrische opvoerhoogte van 80 M.

Magirus ingericht als gereedschapwagen BB type BW200 kenteken NF-73-04 Daf brandweerauto BB type BW 150 voor het vervoer van  2 blusgroepen
Magirus gereedschapswagen
Daf voor vervoer van twee blusploegen, 18 zitplaatsen, voorbouwpomp en een motorspuitaanhanger zorgen voor een erg lang voertuig

Bij 4 ( later 5 ) van de 11 (later 12 ) rijdende M.C.’s-BWR, waarvan verwacht wordt dat zij in waterarme streken moeten optreden, zijn nog extra slangenwagens voor het vervoer van 4” en 6” slangen toegevoegd voor watertransport over grotere afstanden.

Aantal rijdende M.C. Brandweer is 11

Totaal aantal Autospuit = 264
Motoraanhangerspuit = 264

Varende M.C. Brandweer ( 330 man )

De varende M.C.BWR beschikt over 36 motorspuiten, die over 18 blusboten worden verdeeld. Deze blusboten worden bij afkondiging van de mobilisatie door de M.C.’s gevorderd.

Opgericht in 1960
Beëindigd in 1961


M.C. Opruim- en Reddingsdienst ( 1015 man )

De M.C. ORD bestaat uit een staf, een staf- tevens verzorgingsdetachement ( waarbij ingedeeld het peloton waterzuiveringsinstallaties),
4 reddingscompagnieen en 1 pionierscompagnie.

1 Reddingscompagnie bestaat uit 3 pelotons á 4 reddingsploegen
1 Pionierscompagnie bestaat uit 4 pelotons á 3 pioniersploegen

Het peloton waterzuiveringsinstallaties bestaat uit 3 waterzuiveringsinstallaties ( 1x Paterson en 2x Berkefeld installaties).
De installaties kunnen +/- 30 M3 betrouwbaar drinkwater per uur leveren. De organisatie van dit peloton is er op berekend dat er continu gedurende dagen achtereen gewerkt kan worden.

Elke M.C.-ORD beschikt niet over hetzelfde aantal overheadloaders. Het aantal varieert van 0 tot 7 al naar gelang de opstellingsplaats, welke voor de colonne bij mobilisatie is bestemd.
De overheadloader is een combinatie van dozer en puingraver en is praktisch onmisbaar voor het berijdbaar maken van door puin zwaar versperde wegen.
Een kiepauto van 3 Ton, opgesteld achter de overheadloader, is in 4 á 5 minuten met puin gevuld.
Per overheadloader zijn 4 bedieners aanwezig, zodat gedurende dagen achtereen continue doorgewerkt kan worden.

Totaal aantal Fiat angledozer-overheadloader ( Puinhapper) = 44

M.C. Geneeskundige Dienst ( 685 man )

De M.C. –GD bestaat uit een staf, een staf- tevens verzorgingsdetachement en 5 compagnieen.
Elke compagnie bestaat uit 2 pelotons ( is gelijk aan 2 Mobiele Geneeskundige Groepen MGG )
Aan elk peloton zijn toegevoegd 3 gewondentransportgroepen.

Nummering

11 brandweercolonnes nummer 1 t/m 11
6 opruimings- en reddingscolonnes nummer 31 t/m 36
5 geneeskundige colonnes nummer 51 t/m 55


Korps Mobiele Colonnes 1963- 1993

Overgang naar de Koninklijke Landmacht in 1963

De benaming “4e Krijgsmachtdeel” was natuurlijk indrukwekkend maar leverde in de praktijk veel problemen op.
Om organisatorisch het intensieve contact tussen de Minister van Oorlog en de Bevelhebber der Landstrijdkrachten te omzeilen, wordt het RMC als 4e krijgsmachtdeel opgeheven.
In 1963 wordt besloten om de Mobiele Colonnes in hun geheel onder te brengen bij de Koninklijke Landmacht. Dit is het moment dat de naam KORPS MOBIELE COLONNES gevoerd gaat worden.
Bij deze overgang wordt de tweede gemeenschappelijke beschikking opgesteld.
Binnen de beschikking worden de taken en verantwoordelijkheden vastgelegd.
Een van de belangrijkste detailregelingen uit de beschikking is o.a.:
· Het feit dat de organisatie van de afzonderlijke colonnes enerzijds moet worden afgestemd op de organisatie van de overeenkomstige overheidsdiensten van de Organisatie Bescherming Bevolking doch eveneens anderzijds op de terzake daarvan aan te leggen militaire maatstaven en normen.


oefening in het kamp Crailo


Uitbreiding organisatie KMC

In 1975 wordt een taak toegevoegd.
De nooddrinkwaterleidingvoorzieningscompagnie
Gezien het feit dat de overheid van mening was dat er maatregelen getroffen moesten worden om de drinkwatervoorziening in “buitengewone omstandigheden”veilig te stellen, viel bij het toenmalige Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne de keus op het KMC om uitvoering te geven aan een deel van de regels.


Ophef MC-BWR

Bij de reorganisatie van de rampenbestrijding worden de taken opnieuw verdeeld. In de verdeling krijgt het KMC geen brandweertaak toegewezen. Tot 1 januari 1987 houdt het KMC nog een afnemend aantal mobilisabele mobiele colonnes brandweer in de organisatie. De laatste oefening van een brandweercolonne wordt gehouden op 15 september 1983 in Utrecht.

Wijziging MC-ORD

In 1967 vindt een naamswijziging plaats voor de MC-ORD. Deze wordt omgevormd in MC-Redding.
Bij deze wijziging wordt de pionierscompagnie opgeheven.
De capaciteit van deze compagnie wordt over de reddingscompagnieen als mechanische uitrustingpeloton en pioniergroepen in een ondersteuningpeloton verdeeld.

Samenvoeging MC-Redding en MC-Geneeskundig

In 1971 vindt er een samenvoeging plaats van de mobiele colonnes redding/geneeskundig
De filosofie achter de samenvoeging tot gemengde colonnes is het verkrijgen van een betere coördinatie in het rampterrein tussen de elementen redding en geneeskundige verzorging.
Bij deze wijziging worden tevens de waterzuiveringspelotons niet langer in de MC opgenomen.
De consequenties van de wijziging zijn:
· 6x MC-Redding en 5x MC-Gd worden getransformeerd tot 12x MC-Redding/Geneeskundig
· In elke gemengde MC wordt opgenomen:
o 1x stafverzorgingscompagnie
o 2x reddingscompagnie
o 2x geneeskundige compagnie
· per reddingscompagnie wordt een ondersteuningspeloton ingevoerd waarin naast 3 pioniersgroepen tevens een bouwmachinegroep met overheadloader, motorhamer en motorboor en een compressorgroep wordt opgenomen.

Na de opheffing van de BB en de verdeling van de taken binnen de rampenbestrijding was het noodzakelijk om wederom tot reorganisatie over te gaan.
Het aantal MC-Rdg/Gnk wordt uitgebreid tot 19 stuks.
Bovendien worden er in verband met de toegewezen gewondentransporttaak 12x ziekenautocompagnieen opgericht.
Deze reorganisatie is nooit volledig doorgevoerd.
In 1990 is al reeds het besluit genomen om het aantal terug te brengen tot 15 stuks.
Tevens wordt besloten om de zelfstandige ziekenautocompagnieen als gewondentransportcompagnie onder te brengen in de MC-Rdg/Gnk.


Einde KMC

Het einde kwam bijzonder abrupt.
In het voorjaar van 1991 wordt nog verklaard dat het bestaansrecht van het KMC niet ter discussie staat.
In september 1991 wordt beslist dat het Korps Mobiele Colonnes met ingang van 1 januari 1993 wordt opgeheven.